NON-FICTIE

Schrijfbeesten ()
Voor de Boekenweekspecial van HP De Tijd sprak ik met zeven schrijvers over hun werkdrift. Het bleek dat versnippering helpt. Hoe meer je schrijft, hoe meer je te schrijven hebt.


Dimitri Verhulst (36) debuteerde in 1999. Sedertdien heeft hij nog zes romans, een gedichtenbundel en bundel reisverhalen geschreven. Vorig jaar werden er van zijn Godverdomse dagen op een godverdomse bol 320.000 exemplaren weggegeven door het weekblad Humo.



“Schrijven gaat mij heel gemakkelijk af. Ik schrijf al zo lang dat ik er helemaal mee ben vergroeid. Terwijl andere kinderen tekenden en kleurden, zat ik te schrijven. Wanneer we op school een opstel van 32 regels moesten schrijven, leverde ik vijf pagina’s in. Ik heb medelijden met die auteurs die zich met moeite naar hun schrijftafel sleuren, want ik ben altijd gelukkig als ik werk. Wanneer ik klaar ben met een boek begin ik meestal al snel aan iets nieuws, anders ga ik me toch maar vervelen. Ik ga niet zitten wachten tot de recensies in de kranten staan, want dan krijg je geen pen meer op papier.

“Ik maak geen schema’s voor mijn boeken. Literatuur bedrijven is een creatief proces en daar moet je ruimte voor openlaten tijdens het schrijven zelf. Marguerite Yourcenar beweerde dat ze al op haar achttiende haar godganse oeuvre tot in de details in haar hoofd had zitten. Ze hoefde het alleen maar op te schrijven. Wat een treurnis om je hele leven in dienst te staan van een concept dat je op je achttiende hebt bedacht.

“Mijn boeken staan hier niet zichtbaar in huis. Dat is een ijdelheid die me niet ligt. Ik hoef niet steeds te worden geconfronteerd met de aanblik van mijn werk, en ik weet ook niet of ik alles zou willen herlezen. Ik ben te vroeg gedebuteerd, te ongeduldig. Het zou trouwens ook niet kloppen als er een punt kwam dat er meer boeken van mezelf zouden staan dan van Louis Paul Boon.”



Simone van der Vlugt (42) schreef in de vijf jaar sinds De reunie vijf thrillers en twee jeugdboeken. En daarvoor had ze al acht historische jeugdromans geschreven. Blauw water was het best verkochte Nederlandse boek van 2008. In januari verscheen Herfstlied.

“Het klinkt wel alsof ik razendsnel schrijf, maar als je elke ochtend gewoon gaat zitten werken, heb je ieder half jaar een boek af. Ik denk altijd twee boeken vooruit. Terwijl ik met het ene boek bezig ben, zie ik de rode draad van het volgende boek al voor me. Dat scheelt ook tijd. Vanavond gaat er een fles wijn open want ik ben net klaar met een nieuw boek, een historische roman voor volwassenen. Dat is een nieuw genre voor mij, want ik wil niet dat het een trucje wordt.

“Sommige schrijvers verliezen zich in dingen die bij het schrijverschap horen, maar er niets aan bijdragen. Als je een beetje succes hebt kun je bijna elke dag wel aanschuiven bij een talkshow, een lezing geven, of ergens boeken signeren. Ik voel me dan al snel opgejaagd. Voor mij is schrijven toch een ambacht waar je elke dag mee bezig bent.

“Vroeger werkte ik tot de kinderen van school thuiskwamen, maar nu stop ik om twaalf uur ‘s middags, want ik kan maar anderhalf uur per dag achter de computer zitten. Ik heb een gewrichtsaandoening, HMS, waar ik echt mee moet oppassen. De rest van de tijd werk ik met een dictafoon die mijn man voor me heeft gekocht. Hij tikt uit wat ik heb ingesproken en dan ga ik er op papier nog wat aan knutselen. Want in een dictafoon praten is toch wat anders dan schrijven.”



Thomas Verbogt (56) wordt vaak een writer’s writer genoemd. Toch is hij een van de productiefste schrijvers van onze literatuur met twintig romans en eenzelfde aantal toneelstukken. Zijn nieuwe roman Verdwenen tijd verschijnt eind mei.

“Het is me al vrij vroeg gelukt om helemaal van en voor de literatuur te leven. Een jaar of 25 geleden ging ik voor het toneel schrijven en dat verdient veel beter dan af en toe iets voor de krant schrijven. En zulk werk leidt niet af, integendeel, het voedde mijn literaire werk. En ik heb er ook veel van geleerd. Op het toneel hoef je nooit iets uitleggen, het publiek ziet hoe het zit, en die vrijheid heb ik meegenomen naar mijn fictie.

“Schrijven is hard werken, maar het valt samen met de manier waarop ik wil leven. Je moet het alleen een beetje gedisciplineerd aanpakken. In mijn theatertijd heb ik geleerd met deadlines te werken. Ik heb elke dag een vast ritme. ‘s Ochtends schrijf ik mijn column voor De Gelderlander, de krant uit mijn geboortestreek. Daar lig ik in bed al aan te denken. Om half tien is die column de deur uit en dan is de motor al warm gedraaid voor de rest van de dag.

“Hoe meer je schrijft, hoe meer je te schrijven hebt. Aan elk boek houd je wel een idee voor een nieuw boek over. Vroeger piekerde ik veel over de vorm, maar dat wordt vanzelf minder, want je leert van elk boek weer. Ik ben ook makkelijker gebruik gaan maken van autobiografsche elementen. Vroeger was ik daar huiverig voor, maar ik ben nu 56 jaar oud en waar zou ik me zorgen over maken?”



Maria Stahlie (53) heeft sinds haar debuut in 1987 twaalf boeken geschreven, waaronder het omvangrijke De lijfarts. Ze leeft samen met de schrijver Dick Schouten.

“Ik vind mezelf niet bijzonder productief. In het begin ben je zo enthousiast over het pure feit dat je kunt schrijven en je met je verbeelding alle kanten op kunt dat er ieder jaar wel een boek uitknalt. Nu werk ik toch zo’n drie jaar aan een roman. Gaandeweg merk je dat je met ieder boek dieper kunt gaan, en toen ik die richting was ingeslagen, was er geen ophouden meer aan. Mijn ideaal is een roman uit één stuk waarin het geheim van het bestaan helemaal wordt gevangen. Daar doe ik met ieder volgend boek weer een nieuwe gooi naar. Het woord wordt te vaak gebruikt, maar het is verslavend.

“We schrijven altijd samen in één kamer, rug aan rug. We wonen op een druk punt in Amsterdam en het lijkt wel alsof al onze buren muzikant zijn. Daarom huren we de helft van het jaar een halve boerderij in Frankrijk. In die stilte een ommetje maken naar de waterput is een luxe.

“Het komt ook wel eens voor dat ik een jaar lang helemaal niks schrijf. Het komt zelfs wel eens voor dat ik denk dat het mooi zou zijn om er gewoon mee op te houden. De literatuur is zo veranderd. Elke pretentie is verdacht. Maar dan begint zich weer langzaam een nieuwe wereld in m’n hoofd vormen, met allerlei details die zich eraan vast hechten, en daar moet ik vooral niets van opschrijven, want dan gaat het weg. En op een gegeven moment kun je dan weer een boek gaan schrijven.”




Christiaan Weijts (32) kreeg vorig jaar het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte literaire debuut, zijn roman Art 285 b. Kort daarna verscheen zijn tweede roman. Volgend jaar komt Weijts’ derde boek uit.

“Mijn literaire werk is voortgekomen uit de column die ik vroeger voor het Leidse universiteitsblad Mare schreef. Nu moet ik oppassen voor de verleiding van de journalistiek, met een column in nrc.next en een in De Groene. Mijn core business is de literatuur, en die vraagt onbevangenheid en concentratie. Je moet doorgaan zonder dat iemand ziet wat je doet.

“Als je van de schrijverij wilt leven, močt je wel naar buiten treden. In deze mediacultuur weet niemand dat je boeken bestaan als je je niet zichtbaar maakt. Maar je moet daarin niet doorschieten. Ik vind het grappig om af en toe in een talkshow te zitten, maar er zijn schrijvers die het publiek alleen kent omdat ze vaak bij Van Nieuwkerk aanschuiven. Je moet jezelf opsplitsen in een figuuur die op avontuur gaat in de media en de schrijver die onzichtbaar doorwerkt.

“Daarom ben ik in Den Haag gaan wonen. In Leiden kende na zoveel jaren iedereen me, en in Amsterdam word je als schrijver elke avond van de ene boekpresentatie naar de andere gesleept. Ik ben makkelijk te verleiden, omdat een schrijver toch altijd hoopt op die ene ervaring die iets voor zijn werk zal betekenen.

“Je hebt schrijvers die niet zomaar boeken schrijven. Iedere titel is een bouwsteen aan een groter geheel. Het oeuvre. Ik neig daar ook toe, alleen weet ik nu nog niet hoe dat overkoepelende kunstwerk eruit zal zien. Dat hoeft ook niet. Als ik aan een roman begin te schrijven, weet ik evenmin precies waar het hoogtepunt zal liggen en hoe het einde eruitziet.”




Saskia de Coster (32) werkt aan haar vijfde roman sinds ze in 2002 debuteerde. Humo riep De Coster uit tot een van de beste schrijvers onder de 35. Eeuwige roem was in 2007 een van de vijf nominaties voor de BGN Literatuurprijs voor jonge schrijvers.

“Als kind schreef ik veel sneller dan nu. Ik was verslaafd. ‘s Ochtends pakte ik een leeg schriftje en dat moest aan het eind van de dag vol zijn. En de volgende dag weer. En dan maakte ik een stapeltje en dat waren mijn Geschriften. Maar als de stijl eenmaal een essentieel onderdeel van het verhaal wordt, kun je niet meer alles in één keer op papier kwakken.

“Writer's block is iets voor amateurs die wachten op de goddelijke genade van de inspiratie. Ik ga actief wachten, door veel te schrijven, en niet alleen met het doel van een boek in mijn hoofd. Het kan ook verrijkend zijn om samen te werken met mensen die een andere manier van denken hebben. Video-makers, acteurs.

“Maar uiteindelijk moet ik me toch afzonderen. Weg uit Brussel. Voor de laatste, intensieve fase van Held heb ik een tijdje in Amsterdam gezeten, en Eeuwige roem heb ik voltooid in New York, zodat ik niet werd afgeleid. Mijn nieuwe roman zit ik in de kelder te schrijven, zodat het lijkt of ik opgesloten ben, maar straks werk ik verder in San Francisco.

“Ik sta niet vol bewondering voor de boekenkast naar mijn eigen werk te kijken, want zoveel is er nog niet. Maar het lijkt me wel leuk als er tenslotte een paar kilometer Saskia de Coster staat waar ik dan langs kan joggen. Dat is misschien wel mijn doel. De grote Saskia de Coster-marathon.”



Joost Zwagerman (45) debuteerde op zijn 23ste en schreef sedertdien acht romans en verhalenbundels, zeven poëziebundels en tien boeken met essays, columns en andere vormen van non-fictie. Daarnaast heeft hij ook vier dikke bloemlezingen samengesteld.

“Ik heb graag iets omhanden, anders word ik al snel humeurig. Ik vind mezelf niet opvallend productief, maar ik blijf gewoon aan de gang met het oog op mijn stemming en gemoedshuishouding, ook om mijn naaste omgeving te sparen. Ik ben niet zo iemand die elke dag trots naar zijn eigen plankje kijkt. Als ik naar de boekenkast kijk zie ik vooral de boeken die ik nog zou willen schrijven.

“Ik doe het liefst verschillende dingen naast elkaar. Ik heb een mooie dag gehad wanneer ik ‘s ochtends aan een boek werk, ‘s middags een column schrijf en ‘s avonds wat priegel aan een gedicht. Bij een ander zou dat misschien uitlopen op versnippering, maar die afwisseling houdt mij juist scherp. Alleen wanneer je in de tweede helft van een roman zit moet je alles aan de kant zetten en rigoreus doorstomen.

“Ik heb een werkkamer elders, spartaans ingericht en de verwarming gaat zelden aan. Veel schrijvers gaan buitenshuis werken wanneer er kinderen komen, maar ik had die afstand tussen werk en thuis al eerder gecreëerd. Gimmick! is het laatste boek dat ik nog als een student op mijn kamer schreef. Nu pak ik mijn fiets en vijf minuten later doe ik de deur van mijn werkkamer dicht in de gelukzalige zekerheid dat daar nog nooit iemand anders is geweest. Niemand  kan me daar vinden. Dat is maar inbeelding, maar ik heb die fantasie van een clandestien leven wel nodig.”

HP De Tijd, 6 maart 2009